De nieuwe mens van Rob Hammink

Saamhorigheid

Ken je vijand
Zie zijn gezicht
Achterhaal verband
Vind overwicht

Een militair adagium

Maar wie ben jij eigenlijk?
Ok, onzichtbaar en laf
Met het grootste bereik
Dat vrijheid je gaf

Vilein zijn je motieven  
Duidelijk zonder eer
Moordend naar believen
Uitdagend ons verweer

Wat verwarring ook beoogt
Kracht zal jou bestrijden
De gehele mensheid betoogt
Harmonie en niet te zullen lijden

Zichtbaar vullen lentebomen zich met hoop
Onzichtbaar verdiept nu de natuur
Het eeuwigdurend verloop
Voelbaar als het levensvuur

Onze vermijdende handen
Reiken voorbij grenzen die vervagen
Ten spijt virus zonder paspoort
Wordt overwinning door saamhorigheid gedragen

Knotwilg 1

Je bent een man, een oude wijze tovenaar
Met borstelig grijs ooghaar
waardoor je de wereld beschouwt
Veranderingen jou zo vertrouwd

Jij staat verankerd, grondig en bevrijd
Je huid is tanig door de tijd
Hij heeft een solide pact gesloten
Samen zijn jullie zielsgenoten

Je bent verspreid, overziend het witte wijf
De jonge tooi reikt vanuit je lijf
Als ijdele hoop op een nieuw seizoen
Om alles eindeloos over te doen

En als de jeugd je hoofd verlaat
In manden of lichtzinnigheid overgaat
Tuur jij uit over akkerland
Verheven boven iedere stand

De gure wind tergt
Een brandende zon, zij vergt
Niets kan jou deren
Behorend tot de laatste stijlvolle heren

Knotwilg 2

Als ik verlang naar vroeger toen alles anders was
Toen wij luisterden naar het drogen van de was
En het tempo morgen niet al gisteren was
De eenvoud dieper dan de voortgang was

De mens nog aandachtig is
Wij allen samen de wereld is
En zagen hoe omgang eenvoudig is
Het geweten zoveel verder is

Dan bezoek ik u en vergewis
Ik voel dat wat was er nog is

Gezichten

Jaarlijks blijven achter herinneringen, gekoesterd en broos
Verzameld door beweging… en door het oog van tijd
Wat jaarlijks aandient is het nieuwe, onbepaald en vormeloos
Verstrooid door de toekomst, de stad -nog- van oordeel bevrijd.

Het oude trok op in nevels en gleed weg in vergezichten
Het nieuwe roept vanaf de kade, vanaf de weg, het valt neer
Het zijn onbekende gezichten
Veel en immer meer.

Blikken slenteren verguld langs schoonheid in stenen gevat
Doesburg de militaire invasies ontgroeid
Er laven zich soldaten van het Dagje aan de stad
Herinneringen meegenomen vrij en geboeid.

Op onze grens, deze grens, de eigen grens van tijd en plek…

Gezichten, ronde gezichten, lange gezichten, bruine gezichten
Gedragen door plichten en een eindeloze reeks aan rechten
Dankbare dynamiek als voer voor de bard en zijn gedichten
Waarin belangen zich verdedigen en elkaar bevechten.

De mens, natuur en stad zoeken balans op juiste voet
Opdat het nieuwe altijd weer het oude wordt
Zoals de speelse IJssel jeugdig wijze wilgen groet
Zoals dit jaar al iedere dag gisteren heeft omgord.

De oude zon gedragen door nieuwe wolken
Ik wens deze bijzondere stad en zijn genoten
Inzicht en handreiking aan alle volkeren
Zoals niet wij, maar de balans en natuur besloten.

Tijdloze armen reiken ver

Nu mijn hand zoveel later schrijft, luidt de kerkklok
het geluid reist vanuit onze oude stad de vrijheid in
Naar een plaats waar niemand zich verstopt of ooit verging
Tot voorbij de horizon vanzelf én sprekend zonder wrok

Maar in het verre kaarslicht flakkert jouw verhaal

Hij belicht in ongeloof een bizarre geschiedenis
Toen het straatbeeld werd verscheurd door macht
Als opspattend steen, het einde koersloos werd afgewacht
Afscheid van het bovenleven en diens gemis

Maar in de duisternis fluistert jouw adem

Hij leidt mij zacht door de lange nacht
De boven- en onderwereld lijden onder dagen, weken
Een tijd waarover jij en ik en wijzers nu spreken
Opdat vergeving vermag en pijn verzacht

Maar door het granaatgeraas voel ik je angst

Ik hoor het bange tellen van je uren
Waarin onze honger voelbaar groeit
De geest en lijf gespannen en vermoeid
Centraal eene vraag: hoe lang gaat dit nog duren?

In Witte K wordt de zwarte stilte en Doesburg’s lot gedeeld

Duizenden geluiden slaan in onze kelderkrocht
In de onderwereld ontstaat soms leven, de glimp van licht
Vrouwen tonen moed en brengen evenwicht
In jullie armen lag ons lot dat het einde verzocht

Maar ik ben bang dat het daglicht je onzichtbaar maakt als je gaat…

Boze bovenwereld, waar ik -op straffe des doods- niet mag zijn
Waar jij zoekt vóór de avondklok naar hoop
En hoort aan de grens van onze oude stad het verloop
Met de toorn van Hades en zijn verwoestend venijn

In het middaglicht sterft het klokgeluid

Maar zij herrees ieders geluid, tijd en toren, ooit bezweken
De klok als echo van een nieuwe werkelijkheid
Jouw beschermende armen bewegen als wijzers van tijd
Als kracht van vrouwen in onze verwoeste weken

Elf

De koude nacht draagt nu stilte
Onuitgesproken woorden verhalen
Over vijanden, religies, gezindten
Die beschaving niet wil, noch kan vertalen

Elf

Voelbare stilte belicht momenten
Zij verwijst naar pijn en onmenselijkheid
Naar zelfbenoemde grimmige regenten
Joelend een wijl, als zwarte echo in hún strijd

Elf

Angstige ogen, andere ‘Heil’ zij zochten
Opgejaagd als wild door beesten
Vermorzeld door grimmige gedrochten
Die op tirannie de dood befeestten

Elf

Wij gaan door met kleine en grote tochten
De stilte eeuwig voelbaar als groot gezag
Indachtig de 11 die hier niet vermochten
Hun tal van moed draagt ieder dag